Het individu centraal

nmmagazine-2014-1-individu

Het wordt steeds drukker op de stedelijke weg – de economische crisis ten spijt. In eerdere uitgaven berichtten we al over de mogelijkheden van rechttoe rechtaan verkeersmanagement en die aanpak blijft onverminderd nodig. Maar zijn er nog andere paden die we kunnen bewandelen om de stad bereikbaar en leefbaar te houden? Welke kansen biedt in-car technologie? Wordt het sowieso niet tijd om niet langer (uitsluitend) in verkeersstromen te denken, maar vooral ook in individuen?

Demografisch gezien zal er de komende tijd het nodige veranderen in Nederland – en dat zal zeker zijn weerslag hebben op de ontwikkeling van de mobiliteit. In gebieden waar de bevolking nu al krimpt, zoals Zuid-Limburg, Zeeuws-Vlaanderen en delen van Groningen en Drenthe, neemt het aantal inwoners verder af. Het openbaar vervoer komt daarmee nog meer onder druk te staan. Tegelijkertijd, zo voorspelt het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid in het rapport ‘Krimp en mobiliteit’ (2010), zal in veel krimpregio’s de automobiliteit juist stijgen doordat er per persoon meer gereisd wordt.
Andere delen van Nederland krijgen te maken met een groei van de bevolking, met name in de stedelijke omgevingen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Planbureau voor de Leefomgeving stellen vast dat Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht de laatste tien jaar zijn veranderd van trage groeiers in snelle groeiers. Zij voorzien dat het aantal inwoners in Nederland in de periode 2012-2015 met zo’n 650.000 personen zal toenemen en dat de vier grote steden goed zijn voor maar liefst een derde van deze groei. De bevolkingstoename in de stad biedt openbaarvervoerbedrijven interessante kansen. Maar het openbaar vervoer zal slechts ten dele de extra mobiliteitsbehoefte kunnen opvangen: de automobiliteit in stedelijke regio’s neemt de komende jaren ook (fors) toe, aldus het KiM in het eerder genoemde rapport.

Knelpunten

Samengevat: het wordt drukker op de Nederlandse wegen als geheel en in de stedelijke omgeving in het bijzonder. De economische malaise mag op dit moment dan wel tot een algehele dip in het  autogebruik leiden, maar alle korte- en lange-termijntrends laten zien dat die van korte duur is. Recente verkenningen in Arnhem, Nijmegen en Rotterdam bevestigen dit beeld. Wat heeft de toenemende automobiliteit voor gevolgen voor specifiek de stad?
Veel steden hebben nu al moeite om vooral binnenkomend verkeer te verwerken – en dat zal alleen maar erger worden. De spitsperioden met bijbehorende files houden langer aan. De reistijd en de onbetrouwbaarheid van de reistijd in stedelijke omgevingen zal toenemen, met vooral op de wegen van en naar de binnenstad forse vertragingen. Wegen waar de capaciteit wordt beperkt door bruggen en tunnels groeien uit tot kleine ‘tijdbommetjes’: elke keer als er net te veel verkeer langs wil, loopt het weer vast. Ook groeit de parkeerdruk, met wachtrijen voor parkeergarages tot gevolg. Uiteraard geldt dat iedere stad anders is en specifiek onderzoek naar de te verwachten knelpunten is dan ook noodzakelijk – zie het kader ‘Foto’s van de stad’ in de pdf. Maar grosso modo kunnen we stellen dat waar het al druk is, het de komende jaren bij ongewijzigd beleid vanzelf nóg drukker gaat worden.

Bottom-up

In NM Magazine 2013 #3 is een beeld geschetst van wat stedelijk verkeersmanagement vermag om knelpunten aan te pakken. In het hoofdartikel “Verkeersmanagement als oplossing voor binnenstedelijke problemen” gingen de auteurs in op de mogelijkheden van vooral bestaande middelen. Het gaat dan om het beïnvloeden van verkeersstromen met verkeersregelinstallaties, rotondedoseerinstallaties en informatiepanelen, waarbij er natuurlijk het liefst in samenhang wordt geregeld (regelscenario’s). Slim ingrijpen met verkeersmanagementinstrumenten zal altijd nodig en nuttig zijn. Denk alleen maar aan de doorstromingswinst die mogelijk is door verkeersregelinstallaties goed te onderhouden, zoals recent nog is vastgesteld in het rapport ‘Kosteneffectiviteit van verkeerskundig beheer van verkeersregelinstallaties’. In deze uitgave willen we het stedelijke probleem echter vanuit een iets andere hoek benaderen, die van de individuele weggebruiker. Anders gezegd: niet (uitsluitend) top-down ingrijpen op verkeersstromen, maar bottom-up denken en werken vanuit het individu. Is zo’n verschuiving van ‘collectieve beïnvloeding’ naar een evenwichtige mix van ‘individuele dienstverlening waar mogelijk en collectieve beïnvloeding waar noodzakelijk’ haalbaar en realistisch? Het is in ieder geval keurig in lijn met nieuwe actieprogramma’s als Beter Geïnformeerd
op Weg, zoals uitgebreid besproken in het hoofdartikel in NM Magazine 2013 #4. Ook sluit het aan op toekomstschetsen over stedelijke ontwikkelingen, zoals het rapport ‘De energieke samenleving’ (2011, prof. dr. Maarten Hajer) van het Planbureau voor de Leefomgeving, waar het individu een steeds centralere plek krijgt. We praten dan over begrippen als: ‘bottom-up urban engagement’, ‘crowd sourcing’ en nog meer van dat soort fraaie termen. Maar bovenal is de individuele benadering interessant – en dus kansrijk – omdat het past bij de wijze waarop mensen zich gedragen en door een stad bewegen.

Databronnen

Om vanuit het individu te kunnen werken, is het essentieel deze van álle relevante informatie te voorzien zodat hij of zij zelf tot afgewogen beslissingen kan komen. De aanpak begint dus met het inwinnen, organiseren en combineren van data. Over welke databronnen hebben we het dan? Floating object data, verkregen uit de sporen die mobiele telefoons en navigatiesystemen achterlaten, geven een goed inzicht in de patronen waarmee mensen van de stad gebruik maken – lopend, fietsend, met de auto of met het openbaar vervoer. Niet alleen als gemiddelde over een dag, maar op heel specifieke dagen of zelfs momenten van de dag, en vanuit heel specifieke herkomsten. De floating object data kunnen aangevuld worden met de verkeersdata die wegbeheerders zelf inwinnen: via lusdetectoren, camera’s en bluetooth-kastjes bijvoorbeeld. Ook gegevens als afsluitingen of omleidingen als gevolg van wegwerkzaamheden, evenementen en incidenten zijn relevant.
Op de actuele ‘verkeerskaart’ die zo ontstaat, kunnen dienstverleners, publiek en commercieel, dan weer inprikken met hun stedelijke informatie. Denk aan informatie over het openbaar vervoer (inclusief actuele vertrek- en aankomsttijden), over P&R-plekken en andere parkeervoorzieningen (inclusief bezettingsgraad en kosten), over leenfietsen en fietsenstallingen enzovoort. Maar ook informatie als locatie, openingstijden en reserveringsmogelijkheden betreffende gemeentehuizen, politiebureaus, bibliotheken, restaurants, cinema’s, musea, supermarkten etc. verrijken het beeld.
Een stap verder kunnen mensen ervaringen delen over de stad en de mogelijkheden om er te verblijven en reizen. Dat gebeurt nu al via social media: waar haal je een lekker broodje? waar kun je het beste je auto kwijt? Een interessant verkeersgerelateerd voorbeeld is de Dynamic Connections Map van Berlijn, waarin fietsers in Berlijn op de stadsplattegrond kunnen aangeven welke fietsroutes zij nemen en wat hun oordeel is over de kwaliteit van deze fietsroutes. Zo ontstaat er een interessant beeld van het fietsnetwerk in Berlijn en de kwaliteit ervan, zoals fietsers deze ervaren – zie figuur 1 in de pdf. Soortgelijke initiatieven zijn ook voor andere weggebruikers denkbaar. Enige jaren geleden bijvoorbeeld bood Enschede zijn inwoners de gelegenheid om op een kaart aan te geven waar de verkeersveiligheid te wensen overliet. Doel was input te verzamelen voor een nieuw beleidsplan Verkeersveiligheid. Maar waarom niet voortdurend feedback verzamelen?

Levende plattegrond

Er zijn vast meer bronnen denkbaar dan we in het bovenstaande beschrijven. Maar het punt is duidelijk: er is véél stedelijke data beschikbaar of beschikbaar te maken die relevant is voor de reiziger. Als we al die data integreren en combineren ontstaat een levende plattegrond van de stad met interessante mogelijkheden. De wegbeheerder kan de puur verkeersgerelateerde informatie, ook de ervaringen die weggebruikers delen, gebruiken om het beleid te bepalen (zoals de juiste verkeersveiligheidsmaatregelen treffen) en te evalueren. Actuele verkeersgegevens over het complete wegennet, en niet slechts over de wachtrijen bij een verkeerslicht, stellen de wegbeheerder bovendien in staat om gericht verkeersmanagement te plegen, goed gebruikmakend van de restcapaciteit op het wegennet. Hij kan bijvoorbeeld de verkeersregelingen aanpassen aan het feitelijke gebruik van de weginfrastructuur.
Bedrijven, winkeliers en vervoerders hebben baat bij de informatie omdat het hen in staat stelt de bevoorrading van de stad slim te plannen, zodanig dat de goederen en personenstromen elkaar zo min mogelijk hinderen. Maar zo’n levende plattegrond is eerst en vooral nuttig voor de beoogde individuele benadering van reizigers. Hoe meer verkeersgerelateerde, maar zeker ook stedelijke informatie (die over restaurants, bioscopen etc.) beschikbaar is, hoe gerichter en slimmer serviceproviders dat kunnen combineren met de persoonlijke data van de reiziger: zijn bestemming, de gewenste aankomsttijd, de theatervoorstelling waar hij naartoe wil of de gegevens van zijn zakenrelatie die hij bezoekt, zijn voorkeuren, informatie over de auto zoals beschikbare brandstof enzovoort. De serviceprovider kan de reiziger vervolgens pre-trip via de smartphone en on-trip via in-car systemen persoonsgericht informeren en adviseren. Voorbeelden van wat er dan op je display in de auto zou kunnen verschijnen, zijn: “Brugopening. Ik leid u om en laat uw afspraak weten dat u 5 minuten later arriveert”, “Uw accu is bijna leeg. Ik reserveer een oplaadpunt in de buurt van uw bestemming” of “Tip: Parkeer uw auto op P+R Arena en ga verder met lijn 54 richting centrum. Bevestig met 'ja', dan verzorg ik de betaling en leid ik u ernaartoe”. Uiteraard zijn er ook talloze commerciële meldingen denkbaar, afhankelijk van de voorkeuren, locatie en route van de gebruiker: gratis cola bij een menuutje van de hamburgertent langs de weg, extra AirMiles als u tankt bij benzinestation X enzovoort.

Als de reiziger inderdaad zo persoonlijk bediend wordt en de informatie ook betrouwbaar blijkt, is het dan niet redelijk te verwachten dat het opvolggedrag van de gebruikers hoog zal zijn, ook wat het kiezen van de juiste route betreft? Dat zal tot zelfsturing van het verkeer in optima forma leiden, waarbij het verkeer zich evenwichtig over het netwerk verdeelt, goed gebruikmakend van de restcapaciteit.
Wegbeheerders kunnen zich beperken tot faciliteren en hoeven alleen in te grijpen bij dreigende overbelasting.

Veel belangstelling

Het mooie is dat de geschetste bottom-up aanpak van een levende plattegrond inclusief diensten geen rocket science is: de techniek is er. Er lopen dan ook al de nodige initiatieven rond het idee om knelpunten in verkeer en mobiliteit op te pakken vanuit individuele verplaatsingen – en de belangstelling ervoor is groot. Een bijeenkomst in Amersfoort in december 2013 over het Beter Benutten-project Multimodale Reisinformatie, waarin partijen samenwerken om goede reisinformatie te ontwikkelen, trok bijvoorbeeld met gemak vele honderden deelnemers. Wat daarbij zeker helpt, is het feit dat de ontwikkelingen mogen rekenen op de steun van de overheid. Denk aan de prijsvraag ITS In-Car Informatiediensten in het kader van het Beter Benutten-programma. Vijf consortia zijn als winnaar gekozen en brengen nu, met steun van het rijk, diensten op de markt die mobilisten multimodaal informeren.

Uitdagingen

Om te komen tot de geschetste bottom-up aanpak zijn er uiteraard nog wel wat barrières te slechten. De grootste is zonder twijfel dat er op dit moment nog onvoldoende actuele verkeersgegevens beschikbaar zijn om de actuele verkeerssituatie in de beoogde levende plattegrond in te vullen. De evaluatie van het NDW in 2012 liet zien dat met name voor de stedelijke omgevingen er nog heel veel onbekend is. Traditionele monitoringsystemen zullen niet genoeg data leveren en de vraag is of de data die ze leveren wel de dynamiek van een stad laten zien. Data die voortkomen uit belgedrag en rondrijden met een vervoermiddel leveren dat inzicht wel. Dat vraagt om de ontwikkeling van nieuwe algoritmiek.
Daarnaast is nog lang niet alle data die er wél is, ook daadwerkelijk breed beschikbaar. Open data is hierbij cruciaal. De gemeenten Amsterdam en Rotterdam zijn hier volop mee aan de slag en andere gemeenten volgen dit goede voorbeeld. Hierdoor wordt innovatie vanuit de samenleving gestimuleerd. Wanneer deze data wordt vrijgegeven gaat de creatieve geest als het ware vanzelf aan het werk om daar slimme dingen mee te doen. Een voorbeeld is de site Bestwelsnel.nl, die recent het landelijke nieuws haalde. Het gaat weliswaar over rijkswegen en er zijn veel vraagtekens te plaatsen bij de validiteit van de getoonde topsnelheden, maar duidelijk is dat open data tot apps en toepassingen leiden, waar we ons nu nog geen voorstelling van kunnen maken.
Een andere data-uitdaging is dat reisinformatie vaak het slechtst is op momenten dat er iets onverwachts plaatsvindt: een stroomstoring waardoor alle verkeerslichten uitvallen, plotseling noodweer, een groot incident enzovoort. Gevolg is dat informatie ontbreekt op momenten dat deze het meest nodig is. Juist hier kan de communicatie tussen mensen via hun mobiel en via social media een rol spelen: er komt dan een schat aan data vrij die de gebeurtenis helpen duiden en de wijze waarop mensen daarop reageren. Dit vereist nog wel aanpassingen van planners, virtuele reisassistenten en navigatiesystemen: hoe die data te verwerken en te vertalen in het juiste advies?

Op verkeerskundig vlak is er ook nog het nodige uit te kristalliseren. Hoeveel ruimte in en om de stad is er eigenlijk om het verkeer goed te verdelen? Bevindt de restcapaciteit zich vooral op onveilige wegen? Zoals bekend is het met name voor verkeersveiligheid van groot belang waar gereden wordt: kortere reistijden over onveiliger wegen is niet de verbetering die we zoeken. Meer algemeen: leidt een efficiëntere doorstroming tot meer veiligheid of juist tot minder? De maatschappelijke kosten van onveiligheid zijn veel groter dan van bereikbaarheid. Een laatste punt betreft de financiën. We hebben eerder vastgesteld dat de overheid de ontwikkelingen stimuleert met prijsvragen en andere financiële prikkels – en dat helpt zeker om het tempo te versnellen. Maar uiteindelijk moeten de bedoelde adviezen en diensten vooral ook zichzelf bedruipen. In principe zijn er legio business cases te bedenken, zeker als er commerciële partijen bij zijn betrokken (de parkeergarage, de hamburgertent etc.). Maar één doel van overheden is ook om te bezuinigen: het ‘meer met minder’-doel van bijvoorbeeld Goed Geïnformeerd op Weg. De vraag is dus of de bottom-up aanpak tot besparingen bij wegbeheerders kan leiden. Maken in-car diensten bijvoorbeeld al die berm-DRIP’s overbodig? Is het dynamische groene golf-bordje langs de weg niet langer nodig? Dat zou een (extra) reden voor gemeenten zijn om zich serieus te verdiepen in de individuele benadering.

Tot slot

De geschetste uitdagingen lijken geen onoverkomelijke hindernissen. Voorwaarde is natuurlijk dat de wens er is om de bottom-up bereikbaarheidsaanpak een serieuze kans te geven. Dat hangt niet zozeer af van beleid – dat is er met een programma als Beter Geïnformeerd op Weg eigenlijk al – maar vooral van doen. Een deel van het verhaal zal met enige afstemming aangepakt moeten worden, zoals het creëren van een blauwdruk voor de levende plattegrond. Maar voor heel veel andere initiateven hoeft geen stad te wachten op wat er ‘van bovenaf‘ (lees: door het rijk, via weer een subsidieregeling) wordt geregeld, maar kan de gemeente zélf aan de slag gaan. Wat dat betreft is het belangrijk om bereikbaarheidsproeven en -initiatieven ook niet tot de vier grote steden te beperken, maar om het in bijvoorbeeld de vijftig grootste steden te laten borrelen. Dat dat niet ingewikkeld is en hoogst zinvol kan zijn, blijkt uit de case het Eitje van Utrecht. Ook het beschikbaar stellen van open data moet voor de meeste gemeenten haalbaar zijn.

Zo veranderen we langzaamaan onze koers van zelf oplossingen verzinnen en top-down uitvoeren naar het “aansluiten bij de beleving van burgers en het benutten van de ondernemersgeest en het leervermogen van de samenleving”, zoals het eerder genoemde rapport ‘De energieke samenleving’ zo mooi verwoordt. Met de toenemende automobiliteit in de stad als stok achter de deur, is het vrijmaken van die energie alleszins het overwegen waard.

Over de auteurs

Ing. Paul van Koningsbruggen is Director Mobility bij Technolution, drs. Paul van Beek is adviseur bij Goudappel Coffeng.

Gerelateerde items

De stille revolutie van de intelligente machine

Lees verder

Publicatie

Multimodaal verkeersmanagement voor Kopenhagen

Lees verder

Publicatie

BikeSim: Fietsverkeer in beeld met slimme simulatie

Lees verder

Project